Bernhard Nordh: boeiende verhalen

 

Ergens in november 2006 liep ik in Ermelo de plaatselijke kringloopwinkel binnen. Na een snelle rondgang door de winkel kwam ik bij de boeken terecht. Een grote variëteit aan boeken, zoals je die in dit soort zaken mag verwachten. Op een gegeven moment kwam ik een boek tegen met de titel “Het geslacht Pålsson”. De  tekening op de kaft wekte de indruk dat het om een soort streekroman zou gaan. Maar het was vooral de Zweeds klinkende naam Pålsson, die de aandacht trok. Op de achterflap stond een korte beschrijving van de inhoud: geschiedenis van de eerste kolonisten in Marsliden, een gebied ten westen van Vilhelmina in zuidwestelijk Lapland. Omdat ik twee maal in dat gebied was geweest, hoefde ik geen moment na te denken: “kopen dat boek”. 

 

Het boek bleek een dubbeluitgave van twee boeken. Beide boeken horen bij elkaar en volgen Lars Pålsson en zijn vrouw Britta die met zes kinderen de wildernis intrekken en hun rechten op een stuk land laten vastleggen. Ze geven dit stuk land de naam Marsliden. Nordh vertelt over dit kolonistengezin alsof hij er zelf bij is geweest. Veel oog voor details, meeslepend verteld en toch de werkelijkheid niet mooier voorgesteld dan ze was. Honger die zo erg kon zijn dat de dood nabij leek, vroeg invallende vorst die de aardappelen en het koren in één nacht onbruikbaar maakten, de jacht op beren en veelvraten. En dan het leven in die haast volstrekte eenzaamheid, waar de buurman op tien kilometer afstand woonde en waar niet iedere Lap even gelukkig was met de komst van deze kolonisten. En wat te denken van de afstanden die te voet of op de ski moesten worden afgelegd om ergens te komen! Aan de andere kant de ontroerende momenten waar Zweedse kolonisten en Lappen gezamenlijk de kerkdiensten bijwonen in Fattmomakke. Een kleine nederzetting met een “lappenkapel” waar maar twee maal per jaar een kerkdienst werd gehouden voor huwelijken, doop en begrafenissen.

 

Alles verzonnen? Nee!  Nordh heeft in 1936 een tijd rondgereisd in dit gebied en gesprekken gevoerd met mensen die uit eerste of tweede hand geschiedenissen over die eerste kolonisten konden vertellen. Vooral Jonas Larsson, een van de zonen van Lars Pålsson,  heeft veel aan Nordh doorverteld. Op de foto hiernaast staat Jonas Larsson, gefotografeerd door Bernard Nordh.

 

Na deze boeken kwamen de andere boeken van Nordh. Van zijn boeken zijn er maar vijf in het Nederlands vertaald. Allemaal boeken die zich afspelen in Noord-Zweden. Via marktplaats.nl zijn ze redelijk makkelijk te vinden. “Als de vorst haar geesel zwaait” over de honger en ontreddering in het dorpje Kroksjö die zo erg worden dat de meeste inwoners besluiten naar Amerika te gaan. Waarbij de tocht naar de Noorse kust te voet moest worden afgelegd. Ook voor dit boek is materiaal gebruikt dat gebaseerd is op werkelijke gebeurtenissen. “De zon gaat op in het Gulbrandstal” over twee jongen mensen die samen naar het noorden trekken om gezamenlijk een nieuw bestaan op te bouwen. Met alle ontberingen van dien.

 

Wat te doen als je dan de Nederlandse vertalingen hebt gelezen?  Twee Duitse vertalingen bieden uitkomst om nog even vooruit te kunnen. Maar daarmee lijkt de limiet bereikt. Om nog meer boeken van Nordh te kunnen lezen, rest maar één oplossing: Zweeds leren lezen. Hoewel ik al jaren belangstelling heb voor Zweden en de Zweedse taal, zijn het de boeken van Nordh die me nu hebben aangezet tot het leren lezen van het Zweeds. Met grammatica uit leerboeken en (internet)woordenboeken in de buurt is dat een moeizaam maar hoopgevend  proces. Al doende leert men! Kruipend door die Zweedse tekst komen de verhalen nog meer tot leven. En lijken de geschiedenissen nog boeiender verteld dan in het Nederlands.

 

Cor Wursten