Hoofdstuk 2
Moeizaam
worstelden Imber en Erland met hun zwaarbeladen boot tegen de stroom op; een
grijze hond liep met hen mee. Zij bleven dicht bij de kant, want meer naar het
midden was de stroom zo sterk, dat zij er door zouden zijn meegezogen naar de
diepte. Ook langs de kant kwamen zij slechts met inspanning van alle krachten
verder. Imber lag met haar hele gewicht op de riemen, het zweet brak haar uit;
de man stond op de voorsteven, met een lange stol probeerde hij houvast te
krijgen in de bedding. Imber rukte aan de rechterriem; toen de boot tegen de
stenen stootte, sprong zij op de kant en trok met alle kracht aan de lijn. Zij
gleed uit, maar krabbelde weer op en zij slaagde er in de boot te houden. De man
kwam haar te hulp en na enig verder rukken lag hun boot zo stevig op de kant,
dat zij de lijn los durfde te laten om even adem te scheppen. Zij keken omhoog
naar de bruisende watermassa, die schuimend omlaag stortte langs rotsen en
stenen. Zij waren er niet door verrast. Al een paar dagen tevoren waren zij in
het dorp, waar ze hadden overnacht, gewaarschuwd tegen de Wolfsval. Het heette
volkomen uitgesloten, dat men met een boot verder kon komen; de kans was zelfs
gering, dat men er zonder bagage, met twee vrije handen, doorheen kwam.
Imber raapte dorre twijgen om vuur te maken, zij bakte een pas gevangen zalm en kookte dunne pap. In die tijd loste Erland de lading van de boot en verdeelde die in vier delen. Een zaag, een raampje en een schaapsvel liet hij liggen.
Na het eten bleven zij even rusten. Er wachtte hun zware arbeid. Voordat zij verder zouden kunnen varen, moesten zij zich heen worstelen door twee kilometer bijna ondoordringbaar struikgewas. Zij laadden de lasten op de schouders en sloegen een nauwelijks vindbaar pad in, dat tussen stenen en struiken omhoog slingerde.
Het geraas van de kokende watermassa dreunde hun in de oren. Het pad liep zo vlak langs de rand van de stroomversnelling, dat de nevel over hen heen spetterde. Imbers blik werd getrokken door deze borrelende heksenketel; als zij daarin terecht kwam, zou het gauw met haar zijn afgelopen! Zij riep tegen Erland, dat hij niet zo vlak langs de kant moest lopen; haar longen snakten naar lucht, toen zij het hoofd van de kokende watermassa afwendde en verder klauterde. Zij begreep, dat zij daarnet een klein voorproefje had gekregen van wat haar te wachten stond. Zij werd bevangen door een gevoel van vrees. Dat was toch geen land voor mensen! Maar het volgende ogenblik had zij zich zelf weer in bedwang. Zij moest laten zien, dat zij een volwassen vrouw was. Het woeste water….ach wat, zij hoefden toch niet in dat woeste water te wonen.
Het kostte vier uren van hardnekkig zwoegen, tot zij de boot met de bagage weer in kalmer water hadden. Erland vond, dat zij een beetje moesten uitrusten, maar Imber wilde verder.
Zij was moe en verbijsterd door het voortdurende gedreun van het water. Verderop zouden zij kunnen uitrusten.
De eerste kilometer na de stroomversnelling bleef het water nog zo woelig, dat Erland de boot alleen verder kon brengen dank zij de uiterste krachtsinspanning. Zij hadden lappen om de riemen gewikkeld, want Erlands en ook Imbers handen waren tot bloedens toe opengereten - hoe zouden zij ook hebben kunnen genezen? De man vertrok van tijd tot tijd zijn gezicht van pijn. De riemen brandden als vuur in zijn handen. Dankbaar liet hij ze aan Imber over, toen zij aanbood verder te roeien.
De rivier verbreedde zich tot een langgerekt meer. Ook hier groeiden langs de oevers de donkere naaldbomen. Nergens viel er een huis te ontdekken, maar Erland en Imber wisten, dat er aan de zuidelijke oever van het meer drie kleine nederzettingen lagen. Tegen het noordwesten glansden de bergen als een blauwe zoom aan de horizon. De zon neeg steeds meer naar het westen. Imber keek naar een geschikte plek om te landen. Zij wilde vuur maken; haar maag schreeuwde om voedsel.
Ineens dook een van de dorpjes op vanachter een landtong, zij stuurden ijlings naar de oever.
De vier hoeven van het gehucht stonden dicht bij elkaar op een kleine, open plek. Vijftig jaar geleden had hier alleen nog maar één plaggenhut gestaan, die diende als nachtverblijf voor de eerste kolonist. Twee van zijn zoons en een schoonzoon woonden nu in het dorpje, het vierde stuk grond hadden zij verkocht aan een kolonist uit een buurdorp.
Toen de boot landde, was een man bezig netten op te hangen. Hij had een korte , gedrongen gestalte, zijn gezicht toonde de sporen van harde strijd met wind en weer. Toen de vreemdelingen naderden, liet hij zijn netten in de steek.
Erland groette hem vriendelijk en vertelde, vanwaar ze kwamen.
“Zoekt u land?”
“Ja.”
De man keer eens naar Erlands ranke gestalte, zijn zwarte, krullende haren, de tere huid en de mooie witte tanden.
“Er zijn niet veel goede plekjes,”mompelde hij. “Hier aan het meer is er zelfs niet één.”
Erland
antwoordde, dat zij verder naar het westen wilden gaan, maar zij zouden het erg
prettig vinden, als zij die nacht in één van de schuren mochten slapen.
De boer liep voor hen uit naar zijn huis. Op de weide graasden een paar koeien en geiten; Imbers geoefende oog zag direct, dat de dieren niet veel waard waren. Zij had nog nooit zulk mager vee gezien. Zij zag ook nergens in de omgeving enige behoorlijke akker; er lagen maar een paar kleine lapjes grond, die in de verste verte niet konden worden vergeleken met de akkers van haar vader. Maar zij begreep ook, waarom de ontgonnen stukjes niet groter waren. Een mens kon nu eenmaal stenen niet in aarde en brood veranderen. Er waren hier meer stenen dan houwelen en spaden ooit zouden kunnen verwijderen.
De man nodigde hen uit zijn huis binnen te gaan. Vijf, zes halfnaakte kinderen verdrongen zich bij de open haard in een hoek. Zij waren niet gewend aan vreemde gezichten. Imber voelde een steek in haar borst. Zij moest opletten: zij mocht niet veel kinderen krijgen. Eén of twee, meer kon deze streek er nooit voeden. Zij keek rond in de hut. Veel was er niet te zien. Tegen de muur een groot bed, dat de helft van de vloer in beslag nam. Een tafel, een paar krukjes. Geen gordijnen, geen tafelkleed, geen matten. Vergeleken met deze armoede leek de armste dagloner thuis een rijkaard.
De vrouw van de hoeve was bezig vissoep te koken. Zij was minstens tien jaar jonger dan de man, maar het harde leven had haar oud gemaakt. Zij sleepte zich voort; het leek alsof er nooit een lachje om haar smalle mond zou komen. Haar haar was al voor de helft grijs, het hing in slierten langs haar hoofd. Zij had magere wangen, een platte borst en een uitgezakte buik. Toen zij in dit dorp gekomen was, was zij een jong meisje met ronde, rode wangen geweest. Sedert die dag waren er nog geen tien jaar verstreken.
Imber kon eenvoudig niet binnen blijven, haar maag begon op te spelen. Nooit zou zij zo’n honger krijgen, dat zij één hap uit de pan van deze vrouw naar binnen zou kunnen krijgen. Zij zei, dat zij niets hoefden te eten, want dat zij voldoende voorraad in de boot hadden. Zij zou meteen wat gaan halen. Toen Erland haar na een poosje volgde, zat zij niets ziend in de boot voor zich uit te staren.
“Wat mankeert je?”.
Imber maakt een fel gebaar naar de hoeve.
“Als ons zo’n armoe te wachten staat, kunnen we net zo goed meteen sterven,”
“Trek je er toch niets van aan, hoe andere mensen leven! Dit gat ligt erg ongunstig. Boven in de bergen is de jacht veel beter – en van de jacht moeten wij leven. Jij en ik - wij willen vlees in de pan hebben.”
Erlands stem klonk zo rustig en overtuigd, dat Imber kalmer werd. Maar de nachtmerrie verdween niet helemaal. Vol vuur greep zij brood, boter en kaas. Vanavond wilde zij eten als een echt mens. Imber en Erland mochten de nacht doorbrengen in één van de schuren. Daar was geen korreltje graan te vinden. De boer zei, dat het een hele toer was geweest het vee die winter in leven te houden. Toen het gras weer was begonnen te groeien, vele weken geleden al, hadden de dieren geen kracht genoeg gehad om naar de wei te lopen. Zij hadden ze er heen moeten slepen, maar nu gedijden ze weer goed en binnenkort zou er weer vlees op hun botten zitten. In de stem van de boer was geen spoor van een klacht te bespeuren. Hij vond zichzelf allerminst een zielige drommel . Dat was hij ook niet. Hij had een huis en vee, een boot en netten om te vissen. Onder zijn dak was nog niet één kind van honger gestorven.
De jongere broer van de boer kwam ook nog naar de schuur. Hij zag er opgewekter uit en was ook spraakzamer. Zo, wilden zij zich hier vestigen. Er viel niet veel te kiezen, als zij in de buurt van het water wilden blijven en als zij dat niet deden, viel er niets te vissen. En dan moesten zij ook proberen een behoorlijke weide te krijgen, want zonder vee kon geen mens het in deze streken uithouden – misschien een klein poosje, maar beslist niet lang.
Erland keek snel even naar Imber. Dergelijke dingen moest zij maar liever niet horen. Hij vroeg, hoe ver het nog was naar de bergen . Poolvossen leefden nu een maal niet in de bossen, en de gewone rode vossen liet hij graag aan de boeren over, die hadden hem te weinig waarde.
De boer antwoordde, dat de dichtstbij gelegen top ongeveer 70 kilometer verder lag, een goede tien kilometer ten zuiden van de rivier.
“Hoe is het daar?”
“Eigenlijk niet zo slecht, maar er woont daar al een kolonist, van wie de bossen in de buurt zijn; u moet op uw hoede zijn voor die man. U moet hoger op gaan; als u de rivier volgt, komt u aan een volgend meer. Maar veel verder kunt u niet gaan. De mens kan niet leven boven de boomgrens.”
“Maar er zijn toch zeker ook wel dalen tussen de bergen?”
“Ja, de heidenen moeten daarboven ergens in het Gulbrandstal een beste hoeve hebben.”
Imber keek de boer scherp aan.
“Heidenen? Wat zijn dat voor mensen?
“De kolonist heet Persson, hij moet afkomstig zijn uit het laagland. Maar dat is al heel lang gelden. Mijn vader, die een paar keer met hem mee is geweest naar Noorwegen, heeft verteld, dat hij helemaal behaard is net als een beer en dat hij in het ijskoude water duikt precies als een bever. Toen hij een hut had gebouwd, heeft hij een tovervrouw genomen en bij haar heeft hij drie zwarte kinderen verwekt. Zij moeten niet eens gedoopt zijn.”
“Noemen zij hen daarom heidenen?”
“Ja – en zij kunnen ook niet lezen - zij kunnen niet eens hun naam schrijven.
De boer vertelde niet, dat hij zelf al negentien jaar was geweest, voordat hij met veel moeite de bijbel een beetje had kunnen spellen. Hier in het dorp dankten zij hun christelijk geloof aan een oude vreemde kwant, die eens in de drie jaar in het dorp kwam en er dan twee maanden bleef om de jeugd te leren lezen en schrijven. Echte scholen bestonden er in deze uithoek van het land niet.
Erland vroeg aan de boer, of hij zelf al eens bij de “heidenen” geweest was.
“Neen, wij hebben in die buurt niets te maken. Maar de Lappen zeggen, dat zij een best huis hebben en vet vee. Twee jaar geleden heb ik de oudste zoon eens gezien. Die schiet met betoverde kogels en brengt berenvellen naar de grote jaarmarkt. De Lappen maken een grote omweg, als zij hem zien, en zelfs dan spreken zij nog allerlei bezweringen uit. Hij heet Arne, en zij zeggen, dat in zijn vuisten de duivel zelf huist. Een christenmens kan toch geen last sjouwen, die zeven mannen te zwaar is! Ik zou die mensen niet graag als buren hebben”.
Erland voelde zich niet erg behaaglijk, hij durfde Imber niet aan te kijken. Het leek niet zo gemakkelijk vaste voet te krijgen in deze streek.
“Wij hoeven toch geen contact met hen te hebben,” zei hij.
“Neen, maar u mag wel oppassen, dat u niet met een hond of een geweer op hun grond komt, want dan zou het u kwalijk kunnen vergaan.”
De boer vroeg nog naar nieuwtjes uit de omgeving. Hij had familie op een hoeve, Granudde heette die. Erland vertelde, dat zij daar overnacht hadden en toen moest de boer nog veel meer weten. Het was laat, toen hij de schuur verliet.
De volgende dag, tegen de middag, hadden Imber en Erland het meer achter zich en worstelden verder stroomopwaarts. De stroom was al behoorlijk krachtig; in het laatste dorp had men gezegd, dat zij niet veel verder zouden komen. De rivier werd inderdaad steeds onstuimiger, zodat zij tenslotte naast een groot rotsblok aan land sprongen. Zij moesten de boot en een gedeelte van de bagage wel achter laten, want verderop was de rivier slechts over heel korte stukken bevaarbaar. Erland hakte rijshout en nadat hij de boot aan de kant had getrokken en hem in de struiken had verborgen, namen zij hun lasten op de rug en liepen verder stroomopwaarts.
Het terrein was onherbergzaam. Struiken en kreupelhout, stenen en rotsen. In de bergen was de sneeuw nog niet helemaal gesmolten. De bodem zoog van het nat. Zij hadden nog maar een paar honderd meter gelopen, toen zij al door een schuimende bergbeek moesten waden. Het troebele ijswater kwam Imber tot boven de knieën, maar zij konden niet meer terug. Weer struiken en kreupelhout, weer beken, weer waden. Zij,lepen zwijgend en hijgend verder en tuurden naar de grond voor zich om niet uit te glijden of te vallen. Plotseling bleef Erland staan; hij wees op een grote hoop bij een vermolmde stronk. Er moest hier een beer gepasseerd zijn. Hij laadde zijn buks met zware kogels en keek van nu af aan nog scherper om zich heen. De hond liet zijn oren hangen, hij toonde geen speciale opmerkzaamheid.
De moeizame tocht vrat hun krachten aan. Imber begon te zwikken en Erlands hemd was even nat als zijn schoenen en broek. Het was niet raadzaam te rusten, als zij geen vuur maakten. De zonnewarmte kon niets uitrichten tegen het ijswater in hun kleren. Een stijl voorover hangende rots dwong hen iets verder van de rivier weg te gaan. Het bos werd minder dicht en ineens stonden zij aan de rand van een bergven. Slechts op enkele punten staken een paar sparren boven aardhoopjes uit en hier en daar zagen zij een glimmende plas. Aan de andere kant van het ven lag een donkere streep bos, die hogerop lichter werd en overging in een kale bergweide. In de buurt van de top ontwaarden zij grauwe plekken sneeuw.
Erland staarde zwijgend naar het landschap, tot Imber hem vier kraanvogels wees, die over het ven vlogen. Hij greep zijn jachtgeweer, maar liet het weer zakken: wat moest hij beginnen met een dode kraanvogel? Toen zij verder liepen, stieten ze vrijwel onmiddellijk op een omgevallen den, waarvan de takken er om vroegen verbrand te worden. De zon stond nog hoog aan de hemel, maar hun benen en ruggen smeekten om te rusten en de plek leende zich uitstekend voor een kamp. Erland hakte de takken van de den af; hij kon de bijl bijna niet hanteren en hij voelde zijn benen niet meer. Als Imber op dat moment ook maar één woord had gezegd over een terugkeer, dan zou hij dit woeste gebied beslist niet vurig verdedigd hebben. Maar Imber zei niets. Door blijk noch gebaar verried zij haar hulpeloosheid of wanhoop, toen zij het ijskoude water uit haar kleren wrong. Zij was zo uitgeput, dat zij haar botten nauwelijks meer voelde, maar zij maakte vuur, haalde water en begon te koken. Erland lag versuft op het schaapsvel. Hij moest eerst wat rusten, voor hij meer brandhout kon aanslepen. Imber zei, dat hij zijn schoenen en kousen moest uittrekken en zijn voeten bij het vuur moest warmen.
Het eten gaf hun weer kracht en het vuur verwarmde hun halfnaakte lichamen, terwijl de damp opsteeg uit hun kleren, die zij aan een stok hadden opgehangen. Tussen de struiken door zagen zij het ven; Imbers blikken tastten langs de rand van het bos.
“Zie je ergens rook?”
“Nee, waarom?”
Imber zei, dat zij toch niet zo ver meer van de woonplaats van de vijandige kolonisten af konden zijn. En dat het misschien niet onverstandig zou zijn, eens met hen te spreken. Hij zou vast meer van de bergstreek hier in de buurt weten dan de boer, bij wie ze overnacht hadden.
“Als hij zo’n verstokte kerel is, zal hij ons vast niet helpen,”mompelde Erland. “Maar bovendien: ik geloof nooit, dat wij in deze tijd van het jaar door het ven heen kunnen lopen.”
De kleren waren droog; Erland trok broek, sokken en schoenen weer aan. Voor de nacht hadden zij meer hout nodig en een zachter leger. Hij pakte de bijl en huiverde ineens van schrik, toen hij een vogel hoorde fladderen. Hij snoof luid, toen hij de schaduw van een grote boshaan zag. Als hij nu zijn geweer maar had gehad, dan zou er vlees geweest zijn. Maar in elk geval: het was niet gek, dat er hier boshanen waren. Zij waren dus niet de enige levende wezens in deze verlaten wildernis, behalve een paar langbenige kraanvogels.
Vroeg in de ochtend zetten Imber en Erland hun tocht naar het westen voort. Het terrein was even onbegaanbaar als de vorige dag. Het duurde twee uur, eer zij een beek waren overgestoken, die pas een heel eind van de rivier af doorwaadbaar was. Het water liep hun uit de kleren, maar het had geen zin stil te staan om ze te drogen. Verder, verder maar: hun zweet moest het ijswater maar verdrijven. Erland zocht moeizaam de beste weg door het kreupelhout. Telkens weer joeg hij grote bosvogels op, maar hij greep niet één keer naar zijn geweer, hij had het veel te druk met het hakken van een pad. De uren gingen voorbij. Van tijd tot tijd rustten zij, maar nooit lang. Een vreemd vuur brandde in hun aderen. Zij moesten en zouden nog voor het vallen van de duisternis weg uit dit vervloekte kreupelhout! Laat in de middag zwoegden zij hoestend en zwetend een lange helling op. Toen zij boven waren, zagen zij het eindelijk: het meer! Zij trilden van moeheid, maar gunden zich geen tijd om te rusten. Binnen een half uur zouden zij immers aan de oever zijn!
Na drie uur vielen zij meer dan zij liepen uit het bos.
Erland wierp zijn last op de grond, viel neer op een steen en drukte zijn geweer tegen zich aan. Naar het noorden en westen verhieven zich kale rotsen, welker toppen schuil gingen achter laaghangende wolken; naar het zuiden strekte zich het bos nog een eind de helling op uit; daarboven zag hij alleen maar sneeuw en eis. Na elf afmattende dagen waren zij terecht gekomen in dit woeste land,,,,,
Lange tijd stonden Imber en Erland tegen elkaar geleund. Zij zeiden geen woord. Het duizelig-makende gevoel aan het eind van de wereld te zijn gekomen, liet hun pols sneller kloppen. Zij waren alleen – alleen met iets, wat niet voor mensen geschapen was.