In 1938 verscheen van Nordh het boek  Undan frostpiskan. In latere drukken werd de titel gewijzigd in Flickan från fjällbyn. Beide titels geven de inhoud goed weer. Het boek gaat over de inwoners van het dorpje Kroksjö die in het begin van de 20e eeuw zwaar te lijden hebben onder steeds terugkerende hongerwinters. Ze worden als het ware steeds weer gegeseld door de vorst. Eén van de centrale figuren in dit boek is een jonge vrouw, Isa.

 

Op een gegeven moment besluiten de meeste inwoners om naar Amerika te gaan. Een paar mannelijke inwoners van het dorp gaan vooruit. De geschiedenis in dit boek is gebaseerd op de werkelijkheid. Nordh begint zijn boek met een korte schildering van de hongerjaren in het begin van de 20e eeuw en hij bedankt in die inleiding Gunnar Mattsson uit Kroksjö voor materiaal dat hij aan Nordh beschikbaar heeft gesteld.

 

Dit boek is ook in het Nederlands vertaald  met als titel : Als de vorst haar geesel zwaait. Hierna is hoofdstuk 3 uit deze vertaling afgedrukt. De spelling is daarbij aangepast aan die van vandaag.

 

Bron: Bernhard Nordh, als de vorst haar geesel zwaait,

(geautoriseerde vertaling uit het Zweeds van J.E. Gorter – Keyser)

 

 

 

Fjällboberg jaren ´40 (Foto Bertil Andersson)

 

 

 

Hoofdstuk 3

 

Een koude, grijze herfstnevel steeg op uit de het moerasland rondom Kroksjö – een vernielende witte rook die tegen de beboste hellingen omhoog rolde en die het hele dorp in zijn verraderlijke omarming greep.

Het was vroeg in de morgen en de mensen lagen nog te slapen, onwetend van wat de vijand buiten vernielde. Maar op de weilanden was het gevaar ontdekt. De schapen blaatten luid en het loeien van de koeien klonk nu en dan uit de mist op als een noodkreet uit een hese misthoorn. Onrustig en snuivend liepen de dieren rond, in de dichte nevel lijkend op vormeloze schimmen.

Toen Manfrid ontwaakte was het nog schemerig in de kamer. Hij lag zoals gewoonlijk zijn armen en benen uit te rekken, maar een blik naar het raam deed hem plotseling uit bed springen. Hij liep naar het raam, maar er was niets te zien – slechts een grijze waas, die als een  muur buiten het venster stond.

Manfrid kleedde zich aan en klampte zich vast aan de hoop dat het niet zo heel erg zou zijn. Er waren twee soorten nevel, een warme en een koude en het was toch nog te vroeg in de herfst voor het intreden van de koude.

Kari was overeind gaan zitten en staarde naar de donkere raamopening.

“Is het vorst, Manfrid?” vroeg ze angstig.

“Weet ik niet”, antwoordde haar man kort. “Het is het beste als je je aankleedt en het touw tevoorschijn haalt.”

Manfrid liep naar buiten en hij had nog geen stap gedaan , of het was hem duidelijk wat de mist betekende. De stoeptreden waren glad, met randjes ijs, en het weinige dat hij van het erf kon zien, was sneeuwwit. Zwaar ademend keerde de man zich om en riep enkele woorden naar binnen.

Enkele minuten later haastten Manfrid en zijn vrouw zich naar hun korenveld en met een lang touw tussen zich in begonnen ze heen en weer te lopen langs de korenakker. Alle hoop was nog niet verloren.  De vorst was misschien pas bij het aanbreken van de dag komen opzetten, zodat ze nog niet diep was doorgedrongen. Kari struikelde telkens onder het lopen. Ze had geen tijd gehad om haar schoenveters dicht te binden en had moeite de haastige treden van haar man bij te houden in zijn wedloop met de vurige tongen van de vorst. Het touw werd gespannen gehouden en een dof geritsel van zwaaiende korenaren rees spookachtig uit de nevel op. Nu ging het er om of men te laat was gekomen, of dat men door het in beweging houden van de aren het brood voor de winter zou kunnen redden.

Zonder ophouden, heen en weer, op en neer, liepen Manfrid en zijn vrouw met het touw tussen hen in. De mist was nog even dicht en ze konden elkaar maar nauwelijks onderscheiden. Uit Manfrids snor en wenkbrauwen droop het water en de lijnen om zijn mond hadden een beangstigend harde uitdrukking. Hij zei geen woord, vroeg niet of zijn vrouw wel mee kon komen – hij zwoegde slechts voort op het smalle pad dat zijn scheefgetrapte schoenen in het natte gras hadden getreden.

Kari hijgde. Haar magere armen waren zo pijnlijk dat het haar rood voor de ogen werd, maar het was nu niet de tijd om te rusten. Aan één stuk door, zonder ophouden, moest het touw over het korenveld worden getrokken. De schoenen met de losse veters had ze uit moeten trappen, en haar blote voeten plompten rood en gezwollen tussen de ijzige vorstbloemen op de grond. Haar jurk was tot ver boven de knieën drijfnat, maar ze voelde geen kou, terwijl ze zich als in een angstige droom haastte, met het touw in de greep van haar vingers geklemd. Het was alsof haar armen uit het lid werden gerukt, maar niet loslaten – vasthouden totdat het gevaar voorbij was.

De mist bleef hangen. Nog steeds kon men niet verder zien dan vijftien, twintig treden en de twee mensen op het korenveld waren als in een eigen wereld opgesloten. Slechts drong er nu en dan een kreet tot hen door, die bewees dat ook de buren buiten waren en eveneens tegen de boze geesten uit het moeras streden.

Eindelijk klaarde de mist op en een honend glimlachende herfstzon werd even zichtbaar door de wegtrekkende sluier.  Nu kon men zien. Men kon de rook als kleine offerzuilen uit de dorpsschoorstenen omhoog zien stijgen, en het gras zien liggen, wit van de vorst en zo stijf gevroren dat men het met de voet af kon breken. De korenaren hingen slap en levenloos neer en de aardappelvelden waren één zwarte gruwel, met blaadjes, die, als ze ontdooiden, slechts slijmerige draden zouden worden.

De mensen op de korenvelden hadden opgehouden met hun vruchteloos touwtrekken. Gedurende de eerste minuten waren de zwaar beproefde mensen zwijgend blijven staan, maar daarna kwamen ze bijeen en spraken met luide stemmen, waaronder er waren die heidense gedachten verkondigden en die beweerden dat Onze Lieve Heer zijn plicht niet deed.

Vermoeid en met pijnlijke voeten ging Kari haar uitgetrapte schoenen zoeken. Het was, alsof haar lichaam neergedrukt werd door een ondraaglijke last en er sprak meer dood dan leven uit haar ogen. Met haar schoenen onder de arm sleepte ze zich terug naar huis.

 

 

Alexander Mattsson en Sara Bång-Mattsson, de twee hoofdpersonen uit "Als de vorst haar geesel zwaait". In de roman heten ze Erik en Isa. (Foto 1952 Herman Grönlund)

 

 

Nadat men de plotselinge schrik over de verwoestingen van de vorst te boven was gekomen, ging het leven in Kroksjö zijn gewone, gelaten gang. Het was niet voor het eerst, dat de vorst het dorp gegeseld  had. Men onderging het met berusting en men leed. Er zat niets anders op. Maar hoe zou het die winter moeten gaan? Was er énige kans om behoorlijk door een nieuw rampjaar heen te komen?

Onder dergelijke overpeinzingen begonnen de dorpsbewoners aan de oogst. Het koren werd gemaaid, hoewel het nauwelijks te begrijpen was, waar dat uiteindelijk toe dienen moest. Uit al die onrijpe aren met hun kleine korrels, die door de vorst tot een gistende massa waren geworden, zou wel niemand een enkel brood kunnen bakken. En de aardappels waren de moeite van het rooien niet waard. Op de meeste aardappelakkers kon men niet beter doen dan met een ploeg over het land gaan en dankbaar zijn als men hier en daar een aardappel tussen de opgeworpen  teelaarde vond.

Met die zo goed als verloren oogst voor ogen, begonnen de dromen over Amerika weer vastere vorm aan te nemen en er was nu misschien niemand meer  die ontkende dat Kristoffersson verstandig was geweest, toen hij vrouw en kinderen verlaten had, om in een nieuw land het succes te zoeken dat in de door de vorst geteisterde bergdorpjes niet te vinden was. Als ze maar een enkel klein levensteken kregen van de overzijde van de oceaan, zouden hun dagen in Kroksjö spoedig geteld zijn.

Er kwam echter maar steeds geen brief van Kristoffersson. Een korte mededeling dat hij veilig over de bergen was gekomen en Tromdheim had bereikt, telde nauwelijks mee. Nu was het al september en een eerste dichte sneeuwstorm was over de grauwe dorpen van de wildernis gegaan en had alle bevroren  ellende met een wit kleed bedekt. Hier en daar liepen reeds skisporen naar de akkers op de berghellingen en in het bos, en gretige ogen speurden naar sporen van hazen en elanden.

De hemel mag weten hoe het kwam, maar het was alsof in het jachtgebied ook de oogst mislukt was. Soms bleek er een vos te hebben rondgezworven, maar de dieren die voedsel opleverden schenen, als door kwaadwillige machten, van de aarde te zijn weggevaagd. Dag aan dag kwamen de jagers thuis zonder enige noemenswaardige buit.

Op een avond, na een mislukte jachtdag, vroeg Oskar zijn naaste buurman, Karl Ericsson, om met hem mee te gaan naar huis om eens samen te overleggen. Iets moest toch gedaan worden.

Toen de twee mannen door de lage deuropening naar binnen stapten, vonden ze daar een krioelende mensenmenigte, en toch waren het slechts de bewoners die zich in het schijnsel van een zuinig neergeschroefde petroleumlamp  zo klein mogelijk trachten te maken. Hier was men zo nauw behuisd, dat het alle beschrijving te boven ging. Drie families in een woning, die hoogstens voor  één was bedoeld. Meubels, met uitzondering van een grote klaptafel, enkele stoelen en een kast, die zo onwrikbaar in haar nauwe hoek stond, alsof ze in het huis vastzat. De meeste ruimte werd ingenomen door de slaapplaatsen, stabiele, vast getimmerde exemplaren, met beddestijlen, die door de aanraking van vele handen blank gepolijst waren en waarvan de boveneinden in het plafond bevestigd waren.  De kinderen moesten, vuil van het spelen en zonder in aanmerking te nemen tot welk gezin ze behoorden, in de bedden slapen, die het dichtst onder de nok van het dak waren. Hier zou een moeder er gemakkelijk toe komen, bij vergissing het kind van een ander te wassen.

Hoewel het nog zeer vroeg op de avond was, hadden de meeste kinderen hun plaatsen in de bedden reeds ingenomen en dat troffen Oskar en Ersson bijzonder, want anders hadden zij waarschijnlijk  niet eens de tafel kunnen bereiken, waar een van de vrouwen bezig was een visbak en een paar schalen weg te ruimen. Oskar viel zwaar op een stoel bij een van de hoeken van de tafel neer en vroeg, of er iemand naar Strömnäs was geweest om brieven te halen.

“Ja,” antwoordde zijn zwager, een lange gespierde kerel met enorme handen en uitstekende jukbeenderen. “Ik ben er geweest. Er zijn weer een paar boekjes gekomen en zo.”

“Geen brief voor Erika?”

“Nee, die schijnt maar uit te blijven.”

“De boot is misschien vergaan,” zei een van de vrouwen, en Oskar haalde ongeduldig zijn schouders op.

“Gezonken – niks hoor! Zulke boten kunnen niet zinken. De brief is natuurlijk op de een of andere manier weggeraakt.”

Meer was er niet over te zeggen en de mannen gingen aan de ene kant van de tafel zitten en begonnen de brochures te bestuderen, die deel uitmaakten van het kerstoffensief van de rederijen. Ze stonden vol raadgevingen en inlichtingen. De agenten gaven zelfs voorschriften, hoe je het best je bagage kon pakken. Je moest geen gewone kist gebruiken, maar een met een deksel, zodat de kist op een koffer leek. Anders zouden de kisten onder in het laadruim worden geladen en kans lopen kapot gedrukt te worden.

Ersson was zeer geïmponeerd door die voorzorg, “Aardig van ze om aan zo iets te denken!”zei hij. “Daaraan zie je toch, dat ze het goed met je voor hebben.”

Oskar hoorde hem niet. Hij zat peinzend een andere brochure te bekijken en staarde naar de prijs van de reisbiljetten, alsof het daardoor de cijfers zou kunnen veranderen. Tweehonderd konen – hoe – hoe zou hij ooit zoveel geld kunnen opbrengen? Al zou hij vier koeien hebben om te verkopen, dan was het nog niet eens voldoende.

“We moeten de hoeve verkopen!”,  zei hij zacht, als bij zichzelf en vermeed het iemand aan te kijken.

Op zijn woorden volgde een stilte, die vol explosieve stoffen scheen. De twee jonge vrouwen van de hoeve wisselden snellen blikken, die daarop langs de gestalte van de oude vader met zijn witte haren gleden. Ersson knipte met zijn vingers en Oskars zwager betastte onafgebroken zijn brochure. Plotseling hief de laatste zijn hoofd enigszins op, gaf Oskar een lange blik en knikte toen bijna onmerkbaar.

Het was, alsof Oskar op dit teken had zitten wachten. Hij sloeg met zijn hand op tafel en barstte opgewonden uit:  “Ja, we moeten verkopen! Iedereen kan zien dat het niet gaat om hier te blijven wonen. Als Tobias en ik geld kregen, zodat we naar Amerika konden trekken , dan…..ja, daar ginds is er geen vorst en ellende, zoals hier!”.

Oskar had de hele tijd onafgebroken naar zijn schoonvader zitten kijken. De oude man was namelijk de eigenaar van de hoeve. De twee jonge gezinnen woonden er, maar meer niet. Indien de oude Jerker zijn driehoekig teken niet onder de koopakte zette, dan konden ze geen zaken doen.

De oude zat er zwijgend bij. Men zou hebben kunnen denken dat hij niet wist waar het gesprek over ging, indien de krampachtige trekkingen om zijn mond het tegendeel niet hadden bewezen. Zijn ogen staarden op een wonderlijk wijze langs de anderen, het was alsof ze door de grauwe muur heen wilden zien en zijn knokige oude handen openden en sloten zich, alsof ze iets onzichtbaars wilden grijpen. Na enkele seconden van stilzwijgen wendde hij het hoofd naar de haard, waar zijn vrouw met een kaarde en vlokken wol in het schijnsel van enige rokende houtblokken zat. Hij dacht misschien, dat het nu prettig zou zijn, te kunnen overleggen met de vrouw die hem bijna een geheel leven lang terzijde had gestaan. Maar het was niet zo makkelijk om nu van gedachten te wisselen. Er stond als het ware een muur van mensen tussen hen in en het had geen zin om te zeggen: “Hoor eens Katrien, kom eens bij de tafel, dan kunnen we samen praten!”. Katrien was zo goed als stokdoof, en ze zat maar grijs en gerimpeld in har hoekje, zonder te vermoeden dat de hoeve, waaraan ze bijna een leven lang haar beste krachten had geschonken, aan vreemde mensen zou worden verkocht.

“Het is onmogelijk om op deze manier door te gaan!” , zei Oskar, na tevergeefs op antwoord van de oude te hebben gewacht. “We moeten trachten maatregelen te nemen – wat zeg jij er van, Tobias?”

Zijn zwager schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. Het was een onaangename toestand voor hem. Hij wist, dat zijn schoonouders zeer gehecht waren aan de hoeve en nooit anders gedacht hadden, dat dat ze daar sterven zouden. Maar nu kwam het er op aan, zijn mening te zeggen en aan zijn  vrouw en kinderen te denken. Hier, in Kroksjö,  stond niet anders dan honger te wachten.

“ Ja, we moeten trachten naar Amerika te komen, vader, “ zei hij rustig.  “Anders weet ik niet, hoe het met de kinderen zal moeten gaan. Daar ginds kun je grond krijgen waar tarwe groeit.”

De oude man bleef nog steeds zwijgen. Hij wist misschien niet eens wat ze bedoelden met tarwe.

“Ersson gaat zijn hoeve verkopen!” zei Oskar en stootte zijn buurman aan, alsof hij hem herinneren wilde aan een of andere afspraak. De oude Jerker vestigde voor het eerst zijn blik op een vast punt.

“Zo,zo, ga jij verkopen, Ers!”

Ersson maakte de indruk, alsof deze vraag hem onaangenaam aandeed.

“Ja….ja, dat wil zeggen  - ik heb erover nagedacht,” zei hij vaag.  “Het is zoals Oskar en Tobias zeggen. Zoals het nu is, valt het niet gemakkelijk om je er in het dorp doorheen te slaan. In Amerika schijnen er geen hongerjaren te zijn.”

Nogmaals keerde de oude man zich naar de haard en er was iets in zijn blik, dat gedurende enige seconden zijn vrouw als het ware scheen te liefkozen. Toen zij hij langzaam: “ Is er genoeg voor jullie allemaal als we de hoeve verkopen?”

“Nee, we moeten doen zoals Kristoffersson,  en met de maatschappij een regeling treffen, dat de familie hier zo lang kan blijven wonen. Maar als Tobias en ik nu binnenkort vertrekken, kunnen we het misschien zo regelen, dat jullie na het voorjaar nakomen.”

“Alle geld voor de hoeve is natuurlijk niet nodig voor Oskar en mij,” viel Tobias nu in. “Maar je moet nog een beetje overhouden om je mee te redden als je daar aankomt, om er grond te kopen en zoo, en dan moeten we ook wat geld achterlaten, zodat jullie koren kunt kopen. Dat schijnt er op andere plaatsen van het land wel te zijn, al is het duur.”

Toen Tobias over het kopen van koren sprak, raakte hij een teer punt bij de vrouwen aan. Indien zij gevreesd hadden, zich alleen met de kinderen door een hongerwinter heen te moeten slaan, dan was die zorg tenminste van hen afgenomen. Ze zouden koren krijgen  -  koren, zodat ze echt brood zouden kunnen bakken!  En dan, tegen het voorjaar, zouden de biljetten naar Amerika komen. De hoeve moest verkocht worden! Begreep vader dat dan niet?

De oude Jerker talmde met zijn antwoord. Hij voelde zich plotseling zo onbeschrijflijk oud en vermoeid….  Hij zat er misschien over te denken, hoe het met hem en Katrien gaan moest, als al de anderen naar dat wonderbaarlijke land vertrokken, waar er altijd voldoende voedsel was.  Eindelijk stond hij op en streek met zijn hand door zijn grijze baard.

“We moeten er nog eens over slapen, “ zei hij bars.

Een week later was het beslist, dat Oskar, Tobias en Ersson naar Amerika zouden gaan. Voordat zij op weg hadden kunnen gaan, was de winter werkelijk ingetreden met zijn korte, donkere dagen en zijn lange, koude, vochtige nachten. Maar zonder aarzeling togen de drie mannen westwaarts…… voort, naar de woeste bergen, waar de ene sneeuwstorm op de andere volgde  -  plotselinge en hevige buien, waardoor moeizaam naar boven klauterende mensen licht konden verdwijnen in verraderlijke afgronden of die in een of andere nauwe bergpas een barricade van sneeuw konden opwerpen, die slechts door de zon en de lentewinden uit de weg te ruimen zou zijn.

Toen de mannen het dorp verlieten, was er nog geen bericht van Kristoffersson gekomen.

 

 

 Zomer in Fjällboberg (Foto  Bertil Andersson 2001)